De politieke partij D-SA heeft sinds haar oprichting hard gewerkt aan een werkbaar alternatief voor de participatiesamenleving, zoals die door Prime Minister David Cameron is uitgerold in 2010 en de DOE-HET-ZELF-MAATSCHAPPIJ bij onze noorderburen onder impuls van Koning Willem Alexander die de term ‘participatiesamenleving’ eigenhandig tot het woord van het jaar heeft gebombardeerd in zijn eerste Troonrede op 17 september 2013.

Zowel de Engelsen als de Nederlanders zijn ondertussen geconfronteerd geweest met niet ingeloste beloftes en ambities met betrekking tot The Big Society (VK) en de DOE-HET-ZELF-MAATSCHAPPIJ (Nederland), maar dit heeft ons er niet van weerhouden om het concept te evalueren op haar eigen theoretische mogelijkheden in plaats van het kind met het badwater weg te gooien op basis van de mislukte praktijk in het Verenigd Koninkrijk en Nederland.

We zijn als partij op zoek gegaan naar een derde weg met betrekking tot de welvaartstaat en hebben ons laten inspireren door specialisten in de sociale zekerheid uit alle politieke strekkingen. De Actieve Welvaartstaat is een absolute voorwaarde gebleken voor de houdbaarheid van onze welvaartstaat, maar het is met een appèl tot een doorgedreven communautarisme dat we de welvaartstaat zullen moeten aanvullen om het geheel betaalbaar en efficiënt te houden.

Begrijp ons niet verkeerd, we zijn absoluut geen donkerblauwe liberalen, net zoals we ook geen donkerrode socialisten zijn. De politiek die we vanuit het centrum met D-SA bepleiten is per definitie het synergetische samenspel van linkse en rechtse recepten die in hun exclusieve toepassing geen zoden aan de dijk hebben gezet, maar die vanuit een nieuwe denkpiste in functie van de participatiesamenleving wél inzetbaar zijn.

Volgens ons falen de Big Society in Engeland en de participatiesamenleving in Nederland vanwege uiteenlopende redenen die in hun respectievelijke binnenlandse kritieken – vooral uit academische hoek en in mindere mate vanuit de politieke oppositie – al uitvoerig aan bod zijn gekomen. Die kritieken zijn leerrijk en nopen ons tot een alternatieve aanpak waarin we in de eerste plaats geen gevolg wensen te geven aan “een participatiesamenleving die van bovenop wordt opgelegd”. Volgens ons is het vooral zaak om de participatiesamenleving vanuit burgerinitiatieven op kleine en lokale schaal tot uitdrukking te laten komen, en wij wensen deze initiërende praktijk van onderen uit in gang te zetten door daadwerkelijk een appèl tot uitdrukking te brengen en samen met z’n allen hieraan te werken. De opschaling van de participatiesamenleving heeft volgens ons alleen maar zin als de lokale initiatieven een positieve evaluatie door de burgers heeft verkregen.

Vervolgens vinden we het een verkeerd uitgangspunt om vanuit de politiek – zonder noemenswaardige overgangsmaatregelen of overgangsperioden – ervan uit te gaan dat de participatiesamenleving in de plaats kan treden van de welvaartstaat. Budgettair kan het wel aanlokkelijk klinken, maar de realiteit wijst uit dat dit om verschillende redenen niet haalbaar kan zijn. Daarom gaan we aan de hand van een milder communautarisme uit van een overgangsfase waarin de participatiesamenleving – daar waar het kan – een aanvulling moet zijn op de huidige welvaartstaat. Het is enkel wanneer er een gedegen opschaling kan worden gerealiseerd, in combinatie met een schuldloze staat, dat de participatiesamenleving effectief in de plaats kan treden van onze huidige welvaartstaat.